Bijkomende inzichten bij hoofdstuk 1
Op deze pagina proberen we je meetkundige intuïtie aan te scherpen,
door definities en stellingen die gegeven worden voor algemene vectorruimten
uit te werken aan de hand van het voorbeeld Rn, of liefst zelfs
R3 en R2 die we ons visueel kunnen voorstellen. Aan
het eind van paragraaf 1.1.2 zal deze nauwere kennismaking met Rn
een nuttige investering blijken, omdat elke vectorruimte isomorf is met
Rn zodat we altijd in Rn kunnen gaan denken.
Let wel op dat je je niet alleen op dit voorbeeld concentreert. In de
cursus staan tal van andere voorbeelden van vectorruimten uitgewerkt. Het
is niet alleen de bedoeling met Rn vertrouwd te raken, maar
ook dat je weet hoe je je intuïtie voor Rn kunt gebruiken
in andere vectorruimten.
We willen je ook nu al waarschuwen dat overschakelen van een willekeurige
vectorruimte op Rn altijd betekent dat je werkt met coordinaten
t.o.v. een gekozen basis. Als we later over basisveranderingen spreken
is het van belang in het achterhoofd te hebben dat we ook over vectoren
kunnen spreken zonder met coördinaten te werken.
Inzicht bij definitie 1.1.1
Zie voorbeeld 1.1.1 in de cursus. Ga na dat
deze vijf voorwaarden opgaan voor R3 en Rn.
Inzicht bij definitie 1.1.3
In R3 komen deelruimten overeen met vertrouwde meetkundige begrippen.
Ze zijn te klasseren in vier groepen; we lopen hier even vooruit op het
begrip dimensie van een vectorruimte (definitie 1.2.5)
-
deelruimte van dimensie 0: de oorsprong
-
deelruimte van dimensie 1: rechte door de oorsprong
-
deelruimte van dimensie 2: vlak door de oorsprong
-
deelruimte van dimensie 3: heel R3
Opgelet!
Deelruimten moeten de oorsprong bevatten. Een vlak of rechte
die niet door de oorsprong gaat is dus geen deelruimte (wel een affiene
varieteit, zie paragraaf 3.6)
Inzicht bij stelling 1.1.1
Ga na dat in R3 deze definitie voldaan is voor rechten en vlakken
door de oorsprong.
Inzicht bij definitie 1.2.1, 1.2.2 en 1.2.3
Het is van belang dat je wat meetkundige intuitie ontwikkelt omtrent lineaire
afhankelijkheid en vrije en voortbrengende delen. Stel u een stel van twee
lineair onafhankelijke vectoren in de ruimte voor. Welke deelruimte brengen
deze vectoren voort? Wat wordt voortgebracht (we zeggen ook opgespannen)
als we een derde vector toevoegen die lineaire afhankelijk is? Wat als
die derde vector lineair onafhankelijk is. Als we die derde vector willekeurig
kiezen, zal die dan meestal lineair afhankelijk zijn of onafhankelijk?
Inzicht bij stelling 1.2.1
Ga deze stelling na op enkele ruimtelijke voorbeelden. Stel u bijvoorbeeld
een voortbrengend deel voor van een vlak door de oorsprong in de ruimte.
Probeer 1 van de vectoren te vervangen door een nieuwe vector. Hoe kun
je die vector kiezen zodat je nog steeds een voortbrengend deel van hetzelfde
vlak bekomt?
Inzicht bij stelling 1.2.4
Intuïtief:
| Isomorf |
= gelijke structuur |
|
= gelijk op een zeker niveau van abstractie |
|
= gelijk maar de rollen worden gespeeld door andere bewerkingen en
andere elementen |
Isomorfisme=bijectie die een element in de ene algebra afbeeldt op het
element dat dezelfde rol speelt in de andere (isomorfe) algebra.
Meer wiskundig (voor een inwendige wet * in een algebra <A,*> die
overeenkomt met een uitwendige wet # in de isomorfe algebra <B,#>):
``een bewerking * uitvoeren op twee elementen a en b in de
ene algebra A en dan via het isomorfisme j vertalen
naar de andere algebra B'' (j(a*b))
levert hetzelfde resultaat als
``de elementen a en b eerst vertalen naar de andere algebra
B en dan de overeenkomstige bewerking # uitvoeren in die andere algebra
B (j(a)#j(b))''
Een isomorfisme draagt dus structuur over van 1 verzameling naar een andere.
Als we bijvoorbeeld een deelruimte hebben in een vectorruimte dan wordt
die door een isomorfisme afgebeeld op een deelruimte van dezelfde dimensie
in een andere vectorruimte.
Inzicht bij definitie 1.4.2
Figuur 1.4.2b
Deze figuur is een variatie van figuur 1.4.2
die meer beroep doet op je meetkundige intuitie. De figuur geeft een nog
ruw maar belangrijk idee van wat een lineaire afbeelding juist doet.
We beschouwen een afbeelding van een 4-dimensionalse bronruimte V naar
een 3-dimensionale doelruimte W. De 4 vectoren links stellen een basis
voor van een 4-dimensionale bronruimte V (op een 2-dimensionale voorstelling
kunnen we natuurlijk niet zien dat de 4 vectoren onafhankelijk zijn, maar
we doen een beroep op je verbeelding). Twee van die vier vectoren,
a3 en a4 vormen een basis van de tweedimensionale
kern die op 0 wordt afgebeeld. De andere twee, a1 en a2,
zijn gekozen (en bijna vrij te kiezen) om samen met die basis van de kern
een basis van de hele bronruimte te bekomen.
Het beeld van f wordt gevormd door lineaire combinaties van de beelden
van a1 tot a4. Omdat a3 en a4
op 0 worden afgebeeld, volstaan de beelden van a1 en a2.
Deze zijn b1 en b2 genoemd en vormen dus een voortbrengend
deel voor
Ran f.
b3 is een derde vector die de basis van Ran f uitbreidt
tot een basis van de hele doelruimte W.
Inzicht bij stelling 1.4.4
Figuur 1.4.2b geeft ook een visuele voorstelling
van Stelling 1.4.4 en dit is een ideale
gelegenheid om vertrouwd te geraken met wat je zoal op de figuur
kunt aflezen. Stelling 1.4.4. zegt
dat dim Ker f + dim Ran f = dim V. We kunnen dit gemakkelijk zien in de
bronruimte: we hebben twee basisvectoren a3 en a4
in de kern, wat oveenkomt met dim Ker f=2. Opdat de stelling zou opgaan
moeten de dimensie van het beeld, Ran f, dus overeenkomen met het aantal
van de overige vectoren a1 en a2. Op de figuur klopt
dit gezien a1 en a2 via f overeenkomen met b1
en b2 in Ran f. We moeten alleen nog tonen dat b1
en b2 niet alleen een voortbrengend deel maar ook een basis
vormen (anders zou dim Ran f < 2). Welnu, als b1 en b2
lineair afhankelijk zouden zijn, zou een lineaire combinatie r b1
+ s b2 = 0 moeten leveren met r en s niet beide 0. Dit kan niet
omdat dan r a1 + s a2 op nul zou afgebeeld worden
en dus in de kern zou moeten zitten, terwijl we a1 en a2
juist buiten de kern gekozen hadden.
Figuur bij oefening 1.2.15d